Wat is het Down Syndroom?
De meest voorkomende erfelijke aandoeningen waar de
verloskundige naar zoekt door kansberekenende tests en
diagnostisch onderzoek zijn:
| • |
Neurale Buis Defecten (NBD) |
Down syndroom is niet te genezen. Door vroegtijdig problemen
met de gezondheid te behandelen zijn de kansen op een goede
gezondheid en een betere levensverwachting sterk
toegenomen.
Het Syndroom
van Down is de meest voorkomende oorzaak van een verstandelijke
beperking.
In Nederland land heeft ongeveer 1 kind op 650
geboorten dit Syndroom. Het risico neemt erg toe met de leeftijd
van de moeder. Dus een moeder die ouder is heeft meer kans op een
kind met het syndroom van Down dan een jonge moeder. Maar de grote
meerderheid van de kinderen met het Syndroom worden geboren uit
jongere vrouwen want er zijn nu eenmaal veel meer jongere
moeders.
De oorzaak
van het Syndroom van Down (trisomie 21) kan een erfelijke afwijking
zijn.
Een baby met dit Syndroom heeft namelijk drie chromosomen
in plaats van twee op het chromosomen paar nummer 21 .
Daarom
heet het trisomie 21. Tri betekent drie, somie komt van
chromosoom.
Een baby die het Syndroom van Down heeft, heeft
dus in elke lichaamscel 47 chromosomen in plaats van 46. Een
normale baby heeft 2 keer 23 chromosomen per cel (dus
46).
Daarvan komt de ene helft van het zaadje van de vader en de
andere helft van de eicel van de moeder.
In de
chromosomen zitten de erfelijke eigenschappen zoals de kleur van je
haar en je ogen. Men weet nog steeds niet wat er precies misloopt
bij of rond de bevruchting,waardoor dat extra chromosoom
ontstaat. Meestal hebben de ouders zelf volkomen normale
chromosomen.
Bij vrouwen
die zwanger zijn onder hun 30ste is het risico op een
kind met het Syndroom van Down minder dan 1 per duizend. Bij
vrouwen van 35 is dit opgelopen tot 1 per 350, op 40 jaar tot 1 per
100 en op 45 jaar 1 op 25.
Het is niet altijd zo dat het
syndroom van Down komt door een erfelijke afwijking.
Het kan ook
komen door een 'foutje' bij het vormen van het kindje.
Drie soorten:
Er zijn drie
soorten Trisomie.
1. Gewone
trisomie 21
Dit is de meest voorkomende vorm (95%).
Daarbij krijgt de eicel of zaadcel twee chromosomen 21 mee. De bevruchte eicel heeft dan drie in plaats van twee chromosomen 21.
De fout kan ontstaan voor de bevruchting (dus bij het maken van de eicel of de zaadcel). Of bij de eerste deling van de bevruchte eicel. De ene cel krijgt dan maar één chromosoom 21 mee en sterft af.
De over blijvende cel die blijft leven heeft dan drie chromosomen 21 en groeit verder uit tot een foutus met een extra chromosoom 21.
2.
Translocatie
Dit betekent dat een stukje chromosoom zich vasthecht aan een ander
chromosoom.
Als hierbij geen erfelijke informatie verloren is
gegaan, is het kind volkomen normaal.
Maar de persoon kan dit
later, als hij of zij zelf kinderen krijgt, wel doorgeven. Het
wordt dan gebalanceerde translocatie genoemd.
|
 |
Als er wel
erfelijke informatie verloren gaat, dan kan dit een Syndroom van
Down als gevolg hebben. Dit heet dan een ongebalanceerde
translocatie.
In een aantal gevallen heeft één van de ouders
zelf ook zo’n
‘gehandicapt’ chromosoom. Zonder er zelf enige hinder van te
hebben (gebalanceerde translocatie), maar kan hij dit wel
doorgeven.
Ouders die
een baby krijgen met een translocatie – trisomie worden daarom meestal ook genetisch getest om het risico voor volgende
kinderen te bepalen.
3.
Mosaïcisme
Dit is een zeldzame vorm van Syndroom van Down die gebeurt bij de eerste
celdeling van de bevruchte eicel. De baby heeft zowel normale
cellen met twee, als cellen met drie chromosomen 21.
Kenmerken
De
lichamelijke kenmerken van het Syndroom van Down zijn vanaf de
geboorte aanwezig en te zien:
| - |
(soms) Een dwarse lijn over de handpalm. |
| - |
Een kleiner hoofd of vlakker achterhoofd. |
| - |
Smalle oogspleten die een klein beetje schuin omhoog
lopen. |
| - |
(soms) Een huidplooi aan de binnenkant van de
ogen. |
| - |
Een lage spierspanning. |
| - |
Een brede ruimte tussen eerste en tweede teen. |
| - |
De mond en oren zijn kleiner dan bij normale baby, de tong
is soms dikker. |
| - |
De hals, armen en benen zijn in verhouding
korter. |
Men kan de diagnose bevestigen met een bloedonderzoek
waarbij men de chromosomen kan controleren. Dit kan een paar
weken duren.
Gezondheidsproblemen
Kinderen met
het Syndroom van Down kunnen problemen hebben met hun
gezondheid.
| - |
Hartafwijking: In 35 á 40 % van de gevallen heeft een
kindje met het Syndroom van Down ernstige hartafwijkingen.
De
meeste van die hartafwijkingen kunnen met een operatie worden
verholpen. |
| - |
Infecties: Er bestaat een verhoogd risico op
infecties. |
| - |
Leukemie: Hoger risico op bepaalde vormen van leukemie,
maar het is zeldzaam. |
| - |
Darmproblemen: Er kan een vernauwing van de slokdarm of
van de twaalvingerige darm voorkomen. Dit kan door een
operatie worden verholpen. |
| - |
Ogen: Door spierslapte kan de coördinatie van de ogen
vertraagd verlopen. Daar bedoelen we mee, scheelzien. Meestal verdwijnt dat na verloop van tijd. Ook andere oogproblemen
komen voor, daarom is regelmatige controle
noodzakelijk. |
| - |
Oren: Slecht gehoor aan één of beide oren komt regelmatig
voor. Dit is mede oorzaak van vertraagde taalontwikkeling. Ook
zijn er vaak oorinfecties. |
| - |
Tanden: Vertraagde of verstoorde ontwikking van het gebit. Regelmatige controles zijn nodig. |
| - |
Rug: Soms liggen de ligamenten tussen de twee eerste
halswervels te los waardoor gemakkelijk verschuivingen kunnen optreden en het ruggenmerg beschadigd kan worden. |
| - |
Gestalte: Personen met het Syndroom van Down zijn meestal
kleiner dan hun leefdtijdgenoten en hebben de neiging tot zwaarlijvigheid. Daarom is voldoende aandacht voor een
evenwichtge voeding en aangepaste lichaamsbeweging zeer belangrijk. |
De
gezondheidsproblemen komen vaak in de eerste jaren van hun leven
voor. Daarom kun je bij de geboorte nog niet zeggen hoe oud men
verwacht dat het kindje zal worden.
Als de eerste jaren (de
kritieke fase) voorbij zijn, dan is de gemiddelde levensverwachting
tegenwoordig 50 á 60 jaar. Maar mensen kunnen ook ouder
worden.
Meedoen in
de maatschappij en met respect behandeld worden, ontdekken Waar je
goed in bent, zelf kiezen en keuze’s maken, sociale contacten leggen
en onderhouden, dit zijn dingen die voor eenieder belangrijk zijn of
je een beperking hebt of niet.
|